Een schilder pakt een vers palletje en begint gewoon; een schone lei. Een beeldhouwer pakt een ruw stuk hout dat gaandeweg wel wat worden zal. Zo zijn het van die aloude, ingeprente zinnen waarin wij onszelf zijn gaan verstaan, die zomaar het begin kunnen vormen van een nieuw verhaal.

Iets dat je ooit hebt geroken, kun je nooit meer ontruiken. Die eerste, onbevangen snuif rolt de loper voor je uit. De indruk wordt dan ingeprent, daar, waar geuren worden verwerkt. Zo kan er ook door een geur, gevangen in een enkel woord, éen zin of groepje zinnen, zomaar een nieuw verhaal beginnen. En April is er meester in, in het doen met wat er is. Al eerder in haar leven is gebleken dat, ook als je helemaal niets meer hebt – zoals ook weer op dit moment – je toch altijd iets kunt maken.
…Een nieuw verhaal dat zijn aanhef vindt in zo’n aloude, ingeprente zin, kan dat vrij van zijn eerste indruk, zijn vroegste betekenis zijn? 

Je weet niet half.

April

April

Sebastiaan drinkt sinaasappelsap; dat moet wel een grap zijn geweest van de ouders van het slissende meisje dat vroeger naast me zat in de klas. Door deze zin heb ik de geur van sandwichspread nooit van mijn leven uit kunnen staan; met haar dagelijks ge-oefen op de uitspraak van de s-en kwam steeds die zure walm achter haar beugeltje vandaan.
   …En dan de heerlijk natgeplensde stoep waarop ik als klein meisje dansend over straat kon gaan. Als de gronderige geur van pas-geregend, nog altijd de lekkerste die ik ken, mij de lichtheid van een elfje en zowat vleugeltjes kon geven, dan was het mijn goedhartig pleegouderpaar dat mij op slag de lust tot dansen kon benemen. Je ruikt poep, zeiden ze dan; niets meer dan de fecale geur die ontelbare bacteriën na langverwachte regen aan de schone lucht hadden gegeven.

En nog vaak komt ‘ie in een soort reflex wanneer iemand het waagt om ‘wat ruik je lekker’ tegen me te zeggen. Precies zo’n zin ik dan grap – ‘je ruikt poep!’ – maar die dan meestal niemand snapt. Zo kan ik ook buitengewoon sceptisch zijn bij een jij smáákt zo lekker’, als geestdriftig compliment (op een niet nader te noemen moment.) Is dat dan niet ook gewoon een kwestie van… smaak? Maar ik moet zeggen; niets krijgt mij hoger op de kast dan een vast nét zo vleiend bedoeld ‘je weet niet half’, je weet niet half wat je hebt. Dat heb ik altijd zó’n dubieus compliment gevonden…
   Mijn knieën opgetrokken, ze op elkaar opzij gelegd, met m’n hoofd steunend in mijn ene hand en de andere aan de chat, zit ik hier vannacht, in weer een vreemde (maar nu vriendelijke) kamer, op een king size bed.   
  …Hoe zou een ander het wél kunnen weten wanneer je het zelf niet eens hálf zou weten – weten wat je hebt..?

…Aan de andere kant van de muur blijft het stil.

Vermoedelijk span je je in om te volgen wat er in je scherm verschijnt. …Zo-even heb ik je weg zien gaan. Ik heb je zien vertrekken van het feestje en ben een stuk lang met je meegelopen, stiekem, door het donker achter je aan; jij – goed gelukt figuur, met die niet-alledaagse naam die ik bijgezet in balpenletters onderaan de gastenlijst zag staan.

…dat ik parfum verkocht. Als verkoopster werd ik geacht om de handel aan te prijzen op zijn blijvende geur. Hoe langer een geur kon standhouden voordat die in de huid trok of vervloog, hoe dieper de indruk die je kon maken, zo luidde de belofte… dus hoe duurder het parfum! Of jouw indruk zou beklijven bij een ander, dat hing er natuurlijk maar net vanaf. Maar aan je parfum zou het niet liggen, in elk geval. Zie hier; de parfumerie en zijn zelfuitgeroepen nodigheid, die mij algauw éen grote valse belofte leek.
   …Paars-met-roze smokey eyes. De meest lange, glimmende benen die, omgeven door opwaaiende sluiers, over evenzo roze vlakten recht op je af komen zweven… Ja, een exotische geur die begerenswaardig moet worden gebracht is altijd van eenzelfde soort volmaakt en zacht waarvan de vrouwen die ik aan de toonbank had dus ergens in hun leven moesten zijn gaan denken dat het hen daaraan ontbrak.

Je zult nooit weten hoe je ruikt door de neus van een ander. En er is volgens mij geen enkel parfum dat daar ook maar iets aan zou kunnen doen! Maar dat nieuws viel destijds natuurlijk met geen duizend praatjes te verkopen aan de klant, bijvoorbeeld aan een vrouw die al zó zeker was van wat haar past, en dat dat dan het beeld uit de reclamespotjes was.
   Ik zeg; oud water uit de vaas van een verlepte bos aangemaakt en ingedikt met babybillentalc. Een lelie, tot pokdalig ver na bloei op zure pies gezet. Een verdroogde tak jasmijn erin gepropt – en weer eruit gepakt, omdat de vuilnisbak al vol met sinaasappelschillen zat. Het is een dikke huid van dit soort stank waarmee een dame die het kocht potsierlijk door het leven zwalkt. Ik vind het even smerig als schofferend, het riekende kielzog van zo’n vrouw. Wat denkt zij wel dat ik dan ruik? Haar goede smaak? Haar classy stijl? Of ruiken we onverbloemd haar struik… Eén moment is een moment te lang, te zijn gevangen in een ruimte die bezet wordt door een mens – er enkel zelf van overtuigd zo’n muffe buffer nodig te hebben.

In de neus, of reukgang zoals die ook wel (leuk gevonden) heet, ligt een tapijt van wierige haartjes met de schone taak de indruk van een geur te vertalen naar effect. Het effect dat we dan bedoelen (en als het goed is ook beklijft) is de indruk die er wordt gevestigd, of, preciezer nog, de associatie; de verbinding met betekenis die de geur voor altijd voor je krijgt. En, zoals het gaat met paden die vaker worden betreden, slijt een geur erin. Dat maakt, dat bij een volgend snuifje van precies hetzelfde het effect van geur verzwakt; je went eraan, betekent dat. Het probleem dat voor de drager van parfum daarmee algauw ontstaat: hoe weet je dan of jouw parfum zijn werk nog doet; dat het niet uit zijn neus…, bij wijze van spreken, zodra je het zélf niet langer ruikt..? Om het in de eerste plaats als drager zelf te blijven ruiken, zal je er, tot óvermaat, alleen maar meer van gaan gebruiken!

Parfum als maker van een indruk of versterker van signaal is voor mij al gauw te veel, te zwaar. Als parfum zou dienen als signalering van terrein, denken dragers dan soms dat de indruk die zij maken evenredig groot is aan de ruimte om je heen – tot waar je die maar kan vullen? Bovendien wil het geval; hoe meer parfum, hoe meer je lijf zich gaat gedragen naar wat het onderhuids begrijpt: dat een lichaamsgeur zich nooit zomaar zal laten camoufleren. Met vleugen van opwinding of angst lijkt het lichaam hoogstpersoonlijk te gaan ijveren voor erkenning van zichzelf. Dus hoe meer parfum, hoe meer de drager het juist onthult: dat er iets valt te maskeren.
 Waarom vertellen wij ze nooit… dat u stínkt, mevrouw, heb ik destijds vaak dacht. Maar nee. Verkopen, dat was totaal iets ánders moeten zeggen. En wat dat was, dat week nog eens behoorlijk af van het gegeven dat het beeld uit de reclame in beginsel níemand past; een geleende jas, een knieval voor eenheidsworst.
  Misschien, dacht ik, is je eigen lichaamsgeur nog de beste afbakening van je terrein; helemaal los van of dit groot of klein zou zijn. Ja, het punt waarop je precies de ruimte opvult die jou past, ligt allicht daar waar je jezelf nog nét niet kan ruiken. 
  …Maar ja, dat zou de verkoop van parfum wel wat lastig maken.   
Tja. Wat deze verkoopster zou zeggen – als die het voor het zeggen had, ik slikte het in. Het ging verloren, als een tennisbal in de heg.  
   Maar toch.
Voor mij was het een gegeven zodra ik het had bedacht. Niks nieuws, of zo, niets wat ik zomaar verzonnen had! En het was waarom ik, door het toch een keertje uit te spreken – ‘dat u stinkt, mevrouw!’ – op staande voet ontslagen was.

 (1/6)

…midden op de dag en in het midden van de week zomaar buiten aan de straat. Recht onder de zon die als een malle brandde, met een lullig doosje voor m’n buik. Maar hee, er was wel frisse lucht aan deze kant van de deur die net achter mij was dichtgevallen! En het was magisch, bijna, de stilte. Een ongekend ontbreken van geluid; alle stemmen die je zou verwachten, gelikte verkooppraatjes, het oeverloze Radio NL… Net of die klap van net geen deur geweest was, ik was opgebeamd!  
   Ik had echt de neiging om te dansen op weg naar huis. Ja, sóms, April, dacht ik; onverwacht, zijn dingen die gebeuren zomaar ronduit leuk.

Het was thuis tot mijn verrassing dat, bij de open deur naar haar balkon, loom een sigaretje rokend, een oude kennis stond. Hoe was hij binnengekomen? Wat deed hij hier om te beginnen, en op zo’n hete dag? Maar ik vroeg het me niet af op dat moment – of de man had ingebroken in mijn woning of dat hij mijn sleutel soms nog had…
  We keken elkaar lang, langer en nog langer aan. Ik kreeg het daar zo mogelijk nog warmer van. (Maakte de zeldzame ervaring van juiste plaats en juiste tijd dan ook de juiste man..?) Terwijl ik m’n tas op de grond liet glijden en zonder een seconde van hem weg te kijken de doos op tafel gezet. Vervolgens samen een flesje opengetrokken en er in de belachelijke hitte een feestje van gemaakt.

…Over dit contact zal ik je later wellicht wat wijzer maken. Alles wat er voorlopig valt te weten voor jou, daar aan de andere kant: na mijn plotseling ontslag (ach, plotseling… zo noem ik het maar even,) had ik kennelijk geen reden om niet aan te nemen wat mij spontaan werd aangereikt. Als ik maar vrij kon ademen leek mij even álles beter dan de bedompte parfumerie! Dus in mijn opgeluchte stemming was er niet veel aan de hand: een oude kennis deed het voorstel om voor hem te komen werken. En dat nam ik aan.

 (2/6)

…deed ik voornamelijk cateringwerk. Ik werd op pad gestuurd naar feesten en partijen in het hogere segment. En daarnaast mocht ik ook gloednieuwe, peperdure auto’s rechtstreeks van de haven naar privé-adressen rijden. Mijn flatje had ik opgezegd, ik leefde in hotels.
   Al snel bleek echter in de kringen waarin mijn oude kennis zich bewoog niets meer te gaan zoals het ooit ging. In zijn wereldje van de penoze (waar ik hem van kende,) was in de tijd dat ik parfum verkocht van alles scheefgezakt. Het duurde in deze nieuwe job dan ook niet bijster lang voordat ook ik, met manhaftigheid en al, in de problemen kwam. En het was in deze periode dat ik zelf ook op gespannen voet met mijn eigen, zo gezegd, verschijning in de wereld kwam te staan.

Ja, ik moest denken aan de mensen die ik kende van de werkvloer van voorheen. Die mensen die zich stevig gepantserd wisten door hun eigen handelswaar. Ik dacht dan aan hun voortvarendheid, aan hun vanzelfsprekende allure waar je voor zou vallen, als je niet beter wist. De gedachten maakten me onrustig. Deze lui en hun verschijning, zo gesláágd, zo onverstoorbaar, daar zat voor mij altijd een luchtje aan: een zweem van tijdelijkheid, een veeg teken van verval; de verre aankondiging van rotting, of als je het zo wil noemen, stank.
  En zie: waar had dat mij gebracht? In een wereld waarin mensen samen geld verdienden of het kinderlijk spelen was; zolang je elkaars geur – met naam en toenaam – wist te noemen, kon dat de zaken borgen, dan hoorde je erbij. Maar wat had ik? Wat had ik om in deze wereld te gedijen behalve mijn nuchterheid, charme die maar weinigen ooit opviel en wat onschadelijke mondigheid?
   Ten tijde van mijn voorarrest en in de dagen rond het proces trokken ze fluisterend voorbij, vragen als: wie dacht hij wel-niet dat ‘ie was en bovenal, wat zag hij toch in mij? Hoe kreeg die man, die bijna even snel verdwenen was als was gekomen, het meest riskante werk toch elke keer door mij gedaan..? Ook mevrouw-de-vragensteller, die grauwe ijsbeer in de zaal, kreeg van mij uit de beklaagdenbank een ernstig heb-ik-wat-van-u-aan. 
   Hoe bedoelt u, wat bezielde mij.   

Het was dus omstreeks dat moment dat ik het door kreeg en dat hakte er wel in: de invloed – altijd zo onmerkbaar maar die nu toch zonneklaar was, die ánderen leken te hebben op de wendingen in mijn pad.
   Zo was er ooit – en ook dit leek een leven geleden – het clubje jonge honden waar ik er éen van was op school, met wie ik samen bijverdiende aan wat er van vrachtwagens viel. Aansluitend waren er de voortvarende lieden uit mijn eerste normale baan. En daarna was er die halve gek (zoals ik hem al vrij snel ben gaan noemen,) die op mijn balkon stond met zijn poten aan de reling en aanwijsbaar aan de basis van mijn leven op de weg (en die tijdens deze rechtszaak nogal schitterde in…
    verstek.)

Ook daarover later meer! Eerst even die wrijving over mijn verschijning. Dat kwam niet zozeer doordat ik mij zorgen maakte over mijn imago, nee. Het was geen kwestie van beheersing, door parfum of wat dan ook, en dat die beheersing het mogelijk iets eerder af liet weten dan de bedoeling was. Nee, ik kwam meer langs de aanvliegroute op de kwestie van beheersing waar het niet zo duidelijk was wát die beheersing nou eigenlijk te beheersen had.
   …Het is een ongelijke strijd, was wat ik destijds mismoedig dacht. Ik was het, die nu werd veroordeeld. Ik kreeg gevangenisstraf!
Ja, toen dat eenmaal zo ver was, werd ik na een wandeltocht door vele identieke gangen een kamertje binnen gebracht. Daar deden ze de boeien om mij handen los voor even, kleedden me toen uit. Lieten mijn spulletjes all over een kale tafel kletteren voordat ze met een zwaai terug in mijn tas werden geveegd. Ik weet nog dat het voelde of ze mij na deze intake niet meer hadden aangekleed.

Het klinkt raar, maar ik begon mij in die tijd benadeeld te voelen door het feit dat ik bij mijzelf niets, maar dan ook niets had kunnen ontdekken dat ik te maskeren had!
  …Werd het niet eens tijd, dacht ik dus toen, om mijn verschijning in de wereld eens wat meer te gaan beheersen?
  Ja! 
Ik moest gewoon zorgen dat ik het zelf wist. Heel goed weten wat er viel te zien.
  En het zelf kunnen zien was voor mij: jezelf kunnen ruiken. In een omgeving, een instituut, waar ruimte nemen nog niet zo makkelijk was, (hier gold namelijk een evenredige verdeling van het beetje ruimte dát er was – laat staan dat je meer kon pakken dan je nodig had), als daar je geur nou eens geen schild maar wapen was?

(3/6)

 …is van invloed op je smaak. Die vervolgens maakt dat je naar meer van hetzelfde verlangt. Is de voeding die je kiest dan niet uiterst bepalend voor wat je wasemt door je huid en al je lichaamsgaten, dan? Die geur kan zoetig zijn, of kruidig. Je kent het vast wel; mild of scherp. Als je het goed bekijkt kan een mens dus al musk, navy, elegance of uitgesproken lavendel ruiken van zichzelf. 
  Hier kwam dus mijn idee vandaan om mijn eigen geur te vangen.
Waar de gedeelde spiegel in de hal van het gevang een brei liet zien aan vlekken, bleke koppen, veel groene overalls, mocht mijn aanpak gelden als het Nieuwe Kijken Naar Jezelf: Ik probeerde om mijn eigen scheten zo nauwkeurig mogelijk terug te voeren op het eten dat me daar werd voorgezet. En bij elke scheet die ik voelde komen deed ik geen moeite meer om hem te dempen of doseren en draaide me dan om. Snoof, tot er bijna niets meer bij kon in mijn longen met m’n neus een beetje naar de grond. En inderdaad: om wat ruimte af te dwingen was dit schaamteloze scheten lekker effectief! Al bleek – en daarmee ook direct het rare: aan je eigen scheten wen je niet!
  …Maar wás dat raar, bedenk ik net.
Want hoe eigen wáren mijn scheten als ik geen enkele inspraak had in wat ik at.

Je weet niet hálf wat je hebt…
  Ai…
Vanavond heb ik hem weer horen klinken, die zin die zó kan jeuken in mijn hoofd. Ik had me ervoor schrap gezet; de woorden – en al vóór ze mijn gehoor bereikten – uit monde van de hotelier, wiens naam mij overigens doet denken aan de geur van sandwichspread. 

  …Aan de andere kant van de muur blijft het stil.

Vermoedelijk kost het je enige inspanning om te volgen wat er in je scherm verschijnt, of zit je er helemaal in? 
   Zo-even heb ik je dus weg zien gaan. Ik heb je zien vertrekken van het feestje op de buitenplaats van dit hotel, waar wij eerder op de avond, allebei onuitgenodigd, heen zijn gegaan. Toen jij het feest tersluiks verliet ben ik een stuk lang met je meegelopen, stiekem, door het donker, achter je aan; jij – goed gelukt figuur met, hier op de chat, diezelfde naam die ik al even, met balpen bijgeschreven, onderaan de gastenlijst zag staan.

Zelfs hier in de kamer hangt een zweem van uitgeraasde regen, van doorweekte grond. Een vlaagje bolt nu zachtjes de vitrage ter hoogte van de pui die ik straks niet moet vergeten te sluiten, voor het slapengaan.      
  Ik kijk naar het tablet-schermpje onder mijn neus. Ik probeer het af te dwingen door te staren: kom je in de lucht? Ga je schrijven? Ben je bereid om te spelen, een rol te nemen in dit verhaal?

En ik beeld me in – de andere kant; hoe jij, figuur – zo goed gelukt dat je mij al eerder opviel in de hal – nu na het feest je pak terug in de plooi en mooi op het rekje hebt gehangen. En loop je daar nu nog een beetje door de kamer, in dat verblindende witte shirt en blote kont?

(4/6)

…iets echt, in overtuiging te geloven. Je kunt het toch niet zeker weten – er was een tijd dat dit mijn standaard houding was. Alles mocht dan wel zo zijn zoals het was, of desnoods zoals het leek, maar waarom kon het niet voor hetzelfde geld op hetzelfde moment óók helemaal anders zijn? Een ‘maakt-niet-uit’, een mild soort voorbehoud op het leven, zo je wil, het voordeel van de twijfel, maar tegen wil en dank. Mijn ‘doen met wat er is’, dat is, denk ik wel eens, het principieel de andere wang toekeren van mondaine hobby’s en verworvenheden die men zo graag etaleert. Of misschien houd ik me liever afgewend van wat ik allemaal niet heb. 
  Het was in elk geval de insteek op het leven zoals ik die gevonden had: als een versnellingspook die uit zichzelf is blijven hangen in, voor een leven als het mijne de meest voordelige stand. Een leven waarin, als ik even ademhaalde, even stil stond bij de dag en die dan helemaal kon herhalen in gedachten, mijn lichaam, bijna éen geworden met de snelle wagen, intussen alweer elders was.
  ‘Here goes nothing’, ja, dat kan in oorsprong misschien optimistisch zijn. Het is ook een bepaalde staat van onthechting die door de werking van de tijd meer op ontbinding is gaan lijken.

  Afijn, zoals je het hebt kunnen lezen; in het gevang deed ik een poging tot identiteit. Dat leek overigens ingegeven door sarcasme en het imago dat het met zich meebracht was alsnog omgeven door stank… En ja, zoals ik net vertelde, het bracht immuniteit, als in: nooit trammelant. Maar het heeft mij ook geen vrienden opgeleverd, dat moet er bij gezegd.
   Vandaag: een gloednieuwe loper mogen betreden; het is een soort cadeautje dat maar weinigen is gegeven, als je het goed bekijkt. Aan de overlevenden van een ramp, misschien. Of aan een patiënt met sombere vooruitzichten die uiteindelijk toch genas. Of, wat te denken van die ene man, in-de-zon-op-het-terras, die was doodverklaard in zijn omgeving doordat hij zijn auto (‘was volledig uitgebrand’) net de dag daarvoor verkocht had aan een vreemde!
  …En vandaag dan aan een vrouw die weer op vrije voeten kwam. Die deze morgen de weg op is gedraaid, in een wagen die niet van mij is en zonder eigen plan…
   Ik ga op reis en ik neem mee, deed ik het spelletje met mezelf: mijn rechte lijf en leden. Mijn huid, nog bont en blauw, maar ook verdikt, vereelt van het rollen en stuiteren over de bodem en dat eigenlijk jarenlang. Ja, mijn hart was al gekneusd voor ik werd vastgezet. Mijn nuchterheid in het gevang nog vaak tot wanhoop toe getart. Maar mijn geur, mijn eigen geur – de geur die een mens hoe dan ook altijd past; die bleef, vermoedelijk, onaangetast.

(5/6)

…op het gaspedaal, kwam de pret uit andere tijden al snel de kop op steken. Ieder dotje gas dat ik extra gaf was als een kneepje in m’n eigen hand om te weten dat ik het niet droomde: Dat gevoel, misschien dat je het kent, van helemaal op jezelf te zijn en niemand weet waar je nu bent.
   Een goed teken, zou je kunnen zeggen, voor iemand die op weg gegaan is deze dag, zonder vrienden die ergens op me wachtten of familie die nog leeft en zonder noemenswaardig eigendom (in een auto die dus niet van mij is en ook zonder eigen plan). Erop af! Lekker ongeremd op snelheid komen. Vol gas en alles, nu het weer kan!

Is het de lucht van deze avond die ik mijn longen zo lang heb beloofd? Of móét ik gewoon wat met die gedachte aan de ander en mijn verhaal; de invloed die een ander daarop kan hebben en die ik zo geringschat heb, vroeger, een leven geleden, en eigenlijk tot voor kort…

  …Ik zou zeggen, pak je rol in dit verhaal, pak je personage.
  Verzin desnoods een naam! 
Misschien heb je altijd al eens een ploert willen zijn? The time is now, de chat staat open. Wees vannacht mijn match op “Whatsuponatime”.

   Wie ben jij?
   Kennen wij elkaar?
Misschien hebben wij elkaar wel eens ontmoet, of wie weet, altijd gekend. Misschien zijn wij totale vreemden. Vertel het maar. Ik heb je een begin gegeven. Vraag, vertel, verdoezel of verfraai; voeg er zout aan toe naar smaak. Een nieuw verhaal kan van álles zijn, van álles worden! Geen énkele blauwdruk ligt er om te slijten in de loper aan onze voeten… 
  (Kunnen we dit dan onvervalst cynisme noemen…? Nee, hoor. Verre van!)

  Maar misschien ga ik wat te snel.
Oké, ik houd mijn vaart nog even in. Mijn schets van onze kennismaking zoals ik je die heb gegeven zal vast voor je ogen tot leven komen, maar misschien net iets langzamer dan dat je kunt lezen.

Ik buig mijn hoofd richting de muur. Ik hoor een marsmannetje een w.c.’tje doortrekken en nu… jouw stem. Wat je zegt kan ik helaas niet verstaan.
   En nu ben je misschien thee aan ’t maken, met éen van de twee zakjes op het dressoir.
   Ik wacht.
   En neem een slokje spa.        
 
  …Niet half wat je hebt, …niet half wat je hebt.
De zin blijft gonzen, terwijl ik hier onderuit gehangen tegen koningskussens zit.  
   Hij zit onmiskenbaar in de lucht vanavond – de lekkerste die ik ken. De geur van warme aarde, asfalt, stenen; van bloeiende perken, struiken, bomen, allen éven lamgeslagen, allemaal even nat. Het geruis van de toegenomen regen maakt deze aardetinten kamer tot de meest luxueuze grot, een grot die grondig aan het ademen is en suizen, suizen als een leven geleden,
   als een moederbuik.

…Als ik nu afga op waar ik jou, de figuur met de onverstaanbare stem, vanavond het laatst heb gezien, dan is het die mega-hortensia bij de scheiding van de tuintjes, waardoor ik met ingehouden pret heb beseft dat jij in de kamer naast mij zit. En als ik afga op het tuinontwerp van dit hotel, dan staat jouw bed met het hoofdeinde tegen het mijne.
   Daartussen een muur.

Aan de andere kant van de muur blijft het nog even stil.

(6/6)

Vervolg dit verhaal in een chat-gesprek met mij via Whatsuponatime (de chat-button op deze site).

– April.